RENAISSANCE MEUBELEN  2.

 

 
 
  
Alle door ons verkochte gerestaureerde grote
meubelen worden bij u thuis afgeleverd en
door ons opgesteld (binnen Nederland).
 
Buiten Nederland in overleg.
 
 

De afmeting, breedte en diepte zijn de kap

maten dus de uiterste afmeting.

 

Onder de blauwe jaartallen zit een link, door deze aan te  

klikken kunt u zien in wat zich afspeelde in de tijd van de

bewuste kast.

 


Ik wens u veel kijk en lees plezier, Wim.

 

 

ONZE WINKEL IS OPEN INDIEN AANWEZIG OF OP AFSPRAAK.

 

 

   

Renaissance kast, 17e eeuw.

 

Gerestaureerd.

 

Rijk uitgesneden mascarons.

 

   

     

 
 
 

No. 281081

Renaissance twee deurs kast

Holland, ca. 1660.

Onder de recht geprofileerde kap
snij en steekwerk tezamen met
drie mensen mascarons. De stelpaneel
deuren zijn elk voorzien van drie
vlakke kussens omlijst door
ebbenhout. De stijlen en deurnaald
bestaande uit blokken zijn eveneens
opgesierd met ebbenhout.
De zijkanten van deze kast bestaat
elk uit acht panelen.
Onder de rechte voetlijst twee
zwart gepolitoerde bolpoten.

Afmeting, hoogte 203 cm,
breedte 182 cm, diepte 73 cm.

 

VERKOCHT

 

   

Zuid-Holland,
Hollandse renaissancekast, zogenaamde
bruidskast, het is het meest fraaie
kast type dat in Holland werd gemaakt
.

 

 

Deze renaissancekast werd in de 17e eeuw
vooral gezien als een teken van rijkdom.
Het type van deze kast sloeg enorm aan
in andere landen, met name in Engeland.

 

 

   

 

 

 

 

 

No. 260381

Renaissance eiken vierdeurs
kussenkast, ca.
1640 - 1650.

Hollandse eiken Renaissance, met
gestoken acantusblad onder de kap.

In het front vier gepaneelde deuren
met zwart gepolitoerde kussens,
de stijlen zijn gecanneleerd.

De zijkanten van de kast zijn elk
voorien van zes panelen, in de voet
van de kast twee laden, rusten op
bolpoten, de kast is twee delig.

Afmeting, hoogte 217 cm,
breedte 159 cm, diepte 71 cm.

 

VERKOCHT

 

 

 

ONZE WINKEL IS OPEN INDIEN AANWEZIG OF OP AFSPRAAK.

 

Zeeuwse renaissance vierdeurs kast.

 

   

 

No. 50384

Vierdeurs eiken met palissander en
ebben kast, Renaissance, Zeeland, ca.
1650.

Een vierdeurs, eiken- met palissander
en ebben kast. Onder de geprofileerde
rechte kaplijst ebbenhout met links
rechts en in het centrum mascarons en
ebben.

In de bovenkast twee deuren, voorzien
van kussens belijmd met palissander en
afgebiest met ebbenhout.
Links, rechts en in het centrum snijwerk
stukjes van leeuwen koppen met messing
ringen in de mond.

Onder de deuren van de bovenkast
twee laden wederom versierd met
mascarons, maar nu met engelen.

Ook de zijkanten van de bovenkast
zijn versierd met panelen, lijstwerk
en ebben hout.

In de onderkast van deze twee delige
kast twee stel paneel deuren voorzien
van poorten waar boven fijn snijwerk
met o.a. bloemen,met in het centrum een
bloemenmand lijstwerk en ebbenhout.

Ook de zijkanten van de onderkast zijn
versierd met poorten, lijstwerk en
ebbenhout. Onder de deuren van de
onderkast twee laden, uitgestoken
z.g.n. egg and dart frieze, welke
even eens geflankeerd door leeuwen
mascarons voorzien van messing ringen.

Onder de geprofileerde voetlijst,
dubbele zwart gepolitoerde bolpoten.

Afmeting, hoogte 201 cm,
breedte 148 cm, diepte 56 cm.

Gerestaureerd,  12.500  euro.

 

 

   

Eiken Renaissance vierdeurs kast.

 

Detail van het front.

 

   

In de voet twee laden.

 

Oude sloten...

 

No. 260381

Renaissance eiken vierdeurs
kussenkast,
17e eeuw.

Hollandse eiken Renaissance, met
gestoken acantusblad onder de kap.

In het front vier gepaneelde deuren
met zwart gepolitoerde kussens,
de stijlen zijn gecanneleerd.

De zijkanten van de kast zijn elk
voorzien van zes panelen, in de voet
van de kast twee laden, rusten op
bolpoten, de kast is twee delig.

Afmeting, hoogte 217 cm,
breedte 159 cm, diepte 71 cm.

 

Gerestaureerd,  9.800 euro.

 

   

 

 

Eiken vierdeurs kast Holland, 17e eeuw.

 

Nog ongerestaureerd.

 

 

   

 

No.  100393

 

Renaissance eiken vierdeurs
kussenkast, ca.
1650 - 1660.

Hollandse eiken Renaissance, met
gestoken friezen, acantusblad onder de kap

in het centrum een bloemenmand geflankeerd

door putto's.

In het front vier gepaneelde deuren

met gestoken panelen en afgewerkt

met lijsten de stijlen zijn gecanneleerd.

De zijkanten van de kast zijn elk
voorzien van  panelen,  in de voet
van de kast twee laden, rusten op
bolpoten, de kast is twee delig.

Afmeting, hoogte 204 cm,
breedte 171 cm,  diepte  67 cm.

 

VERKOCHT.

 

ONZE WINKEL IS OPEN INDIEN AANWEZIG OF OP AFSPRAAK.

 

 

   

Achter de deuren leg planken en twee laden.

 

Utrechtse poortkast ca. 1675.

 

   

Ook op de zijkanten poorten.

 Gerestaureerd.

 

   

Centrum van de kap, rijk uitgesneden.

 

Poort van een der deuren.

 

 

No. 220692

Utrechtse Poortkast, renaissance
Holland,  ca. 1675.
 
Utrechtse poort of toogkast, eikenhout opgesierd
met palissander tweede helft 17e eeuw.
Onder de rechte rijk uit gestoken kap twee stel
paneeldeuren voorzien van togen welke zijn versierd
met snijwerk, o.a. bladmotieven,
putto's , bloemen en guirlandes.
Ook op de zijpanelen
zijn togen aan gebracht.

Achter de deuren drie legplanken met onder de
tweede leg plank twee laden. De toog versiering
op meubels komt al voor op kisten in de 12e eeuw
en ook op latere meubels in Frankrijk en Zwitserland.

Afmeting, hoogte 202 cm,
breedte 180 cm, diepte 77 cm.
 
VERKOCHT.

 

ONZE WINKEL IS OPEN INDIEN AANWEZIG OF OP AFSPRAAK.

 

 

   

Renaissance eiken panelenkast, Holland, ca. 1650.

 

Detail van de kap  en rechter deur.

  

   

Detail.

 

Gerestaureerd.

 

No 260977

Eiken twee deurs panelenkast
Renaissance, Holland ca.
1650.

Onder de recht geprofileerde kap
een eierlijst van snij en steekwerk
en opgesierd met Ebbenhout.

In het front twee stel paneel deuren
met twaalf panelen,
afgewerkt met lijstwerk. Achter de
deuren legplanken en een lade.

Gecanneleerde stijlen versierd met
Ebben. Ook de zijkanten zijn voor-
zien van panelen, zes aan elke zijde.

Tussen de zwart gepolitoerde bolpoten
open gewerkt snijwerk als onderregel.

Afmeting, hoogte 197 cm,
breedte 168 cm, diepte 60 cm.

 

Gerestaureerd, 9.800 euro

 

   

Gelderse kussenkast, 18e eeuw.

 

Gerestaureerde staat.

 


No. 120191

Gelderse kussenkast, 19e eeuw.

Gerestaureerd, 3.950 euro

 

 

   
Zeeuwse Renaissance kast, ca. 1630-1650. 

Nog ongerestaureerd.

 

 

Een Zeeuwse kast heeft kenmerken , die aan de meeste

kasten van dit type voorkomen, een eenvoudige, licht ge-

profileerde kap en plintlijst met twee deuren in zowel de

boven-als onderkast. Meesal zijn de deuren met gepro-

fileerde, in geometriche patronen gelijmde lijstjes belegt.

 

De kast is altijd breder dan hoog, met een verhouding

van één tot twee tussen beide kast delen. De hier afge-

beelde kast is uitzonderlijk vanwege de vijf deuren.

 

 

 

   

In de bovenkast drie deuren.

 

In de bovenkast vier uitgestoken mascarons.

 

 

No. 161074
 
Eikenhouten Zeeuwse kast,
Renaissance , Holland, ca.
1630-1650.

Onder de geprofileerde rechte kap
vier gestoken leeuwenkop mascarons.

In de bovenkast van dit twee delige
meubel drie deuren waar van de panelen
zijn voorzien van vakwerk middels lijsten
en opgesierd met palissander.

Boven in de onderkast een lade waaronder
twee stel paneel deuren evenals de boven
kast met vakwerk middels lijsten en ook
weer palissander.
De stijlen zijn gecanneleerd en versierd met
ebbenhout, rustend op de door lopende

stijlen die eindigen in blokpoten.

Afmeting, hoogte 145 cm,
breedte 155 cm, diepte 67 cm.

 

Gerestaureerd, 9.800 euro.
 

 
   

Notenhouten rankenkast.

 

Nog ongerestaureerd.

 

   

Detail.

 

In de voet van de kast met lade.

 

No. 50382

Noten rankenkast, Holland,
Renaissance,
17e eeuw.

De kaplijst recht vooruitstekend en
geprofileerd waaronder drie voor uitstekende

consoles waarop putto's sieren.
Daaronder twee deuren
elk met een rechthoekig, verticaal
paneel in een geprofileerde omlijsting.
Achter de deuren legplanken en een lade.
Tegen de slaglijst en op de stijlen uit- gestoken
ranken. In de plint van de kast
een lade, en drie uitgestoken sierstukken.

op ver uitstekende consoles.

Rustend op zwart gepolitoerde bolpoten.

Afmeting, hoogte, 215 cm.,
breedte, 207 cm., diepte, 76 cm.

 

Gerestaureerd,  8.950  euro

 

 

 

 

 


   

Brabantse vierdeurs kast 2e kwart 17e eeuw.

 

Nog ongerestaureerd. 

 

Brabant, met uitzondering van Breda Geertruidenberg

en Grave, behoorde tot de Spaanse Nederlanden en

deelde niet mee in de economische bloei van Zeeland

en Holland. Dat blijkt ook Brabantse meubelen, die in

veel gevallen zeer eenvoudig zijn en dikwijls afkomstig

uit kloosters. deze vrij kleine, sobere eikenhouten vier-

deurs kast heeft een fraai geprofileerde kaplijst en

schuin afgestoken panelen in de vorm van een envelop.

 

 

   

 

No. 30296

 

Eiken vierdeurs kast,

Brabant, plm. 1625-1650.

 

Onder de geprofileerde kaplijst twee

strakke panelen met opzet sierstukken.

In de bovenkast twee smalle paneel

deuren afgewerkt met lijsten, de

stijlen zijn gecanneleerd.

 

In de onderkast twee langwerpige

deuren elk voorzien van twee

panelen wederom met lijstwerk.

Ook hie zijn de stijlen links en rechts

en het midden gecanneleerd.

Achter de deuren een legplank.

Rechte onderregel en op bolpoten.

 

Afmeting, hoogte 183 cm,
breedte 169 cm, diepte 72 cm.
 

Gerestaureerd,  8.975 euro.

 

   

Zeeuwse vierdeurs Renaisance kast

 

Met ebben,robbelijsten en mascarons.

 

No. 1601
 
Zeeuwse Renaissance kast
Holland ca.
1650.

Hollandse vierdeurs eikenhouten renaissance
kast van ca. 1650, met een recht geprofileerde kap
waaronder uitgestoken mens mascarons opgevuld
met palissander belijmde sierstukken afgewerkt
met Robbe lijstwerk.
In het front van de bovenkast twee stel paneeldeuren
voorzien van kussens met palissander omgeven met
ebbenhout.

In de onderkast twee stelpaneel deuren maar nu
langwerpig met op elk paneel een kussen met
palissander en ebben afgewerkt. Net als de boven
kast zijn ook hier de stijlen opgesierd met ebbenhout.
Onder de  rechte onderregel twee gezwarte bolpoten.

Afmeting, hoogte 204 cm,
breedte    cm  diepte 80 cm.

Gerestaureerd,  9.875 euro.

 
 
   

   

Utrechtse poortkast, 17e eeuw.

 Nog ongerestaureerd.

No. 60571

Renaissance, Utrechtse poort of
toogkast,  Holland ca. 1660

Twee deurs eiken Utrechtse poortkast met
een rechte geprofileerde kap, met  paneel
deuren en de toog op de panelen
versierd met snij en  floraal steekwerk van
o.a engelen achter de deuren vier legplanken.
Op de zijkanten panelen.
Een rechte onderregel het geheel
rustend op gezwarte bolpoten.
Kast heeft een mooie blonde kleur.

Afmeting hoogte 210 cm,
breedte 165 cm, diepte 60 cm.
 
Gerestaureerd,  5.975 euro.

 

 

ONZE WINKEL IS OPEN INDIEN AANWEZIG OF OP AFSPRAAK.

 

  

Wegwijs in het woud der meubelstijlen
De Renaissance in de Noordelijke Nederlanden, 1600 - 1640

 

  

Met de Renaissance is het bij ons in de Noordelijke Nederlanden eigenlijk wat merkwaardig gesteld. Dat komt, zo zeggen de cultuurhistorici, door onze volksaard. We stellen ons ten opzichte van het nieuwe nu eenmaal graag wat behoudend op. Daarbij zijn we van nature zuinig en als gevolg daarvan ook sober. We missen ten enen male dat Bourgondische wat onze zuiderburen zo kenmerkt en waardoor hun leven bijzonder veraangenaamd wordt. Misschien zijn die typisch Hollandse karaktertrekken dan ook wel de reden dat in de zestiende eeuw de Reformatie hier zo kon aanslaan. Het werd zelfs een van de wezenstrekken van onze voorouders, die daardoor kans zagen om in het dagelijks leven koopmanschap, oorlog en religie zonder problemen met elkaar in overeenstemming te brengen. Daarom hier de vraag: hoe ging het nu precies met de Renaissance in dit domineesland? Elk land heeft van die vrije vogels die het op een gegeven moment in hun eigen omgeving wel gezien hebben en dan hun horizon graag eens verleggen. Van oudsher zijn de kunstenaarskringen rijk met dit soort lieden gezegend en zo trok in de loop der tijden menig schilder zuidwaarts, of zoals Felix Timmermans dat in een van zijn boeken ooit noemde: “naar waar de appelsienen groeien”, om er zich aan de door de mediterrane zon beschenen cultuur te laven. Er waren er die het daar zo goed beviel dat ze er bleven. Ze namen een Italiaanse naam aan, trouwden er met een mooie Romeinse en in de Nederlanden zag of hoorde men nooit meer iets van hen. Anderen keerden echter na jaren, met wonderlijke verhalen, tekeningen en schilderijen, terug naar hun ouderlijk huis. De thuisgebleven collega’s keken hun ogen uit naar wat de italianisanten aan nieuwigheden te bieden hadden. Het liet niet na een belangrijk stempel te drukken op de ontwikkeling van de kunsten in de Nederlanden. Die lokroep van het Zuiden zou vele eeuwen blijven klinken en menige generatie kunstenaars de Alpen over laten trekken. Met name in de zestiende eeuw waren vooral zij het die, weerkerend als een soort ambassadeurs, de Nederlanden in contact brachten met de geest van de Renaissance, zoals die op dat moment in Italië waaide. Eerlijk gezegd sloeg dat voor onze contreien absoluut nieuwe in het denken, in de architectuur en de beeldende kunsten, meer aan in de Zuidelijke Nederlanden dan boven de grote rivieren. In het noorden was het slechts een enkeling die zich dat gedachtegoed eigen maakte en veelal vertrokken dergelijke geleerden en kunstenaars van hier om zich ergens anders te kunnen ontplooien. Wat dat betreft bleef in deze streken veel bij het oude en vierde in de zestiende eeuw de elders allang op z’n retour zijnde gotiek hier nog redelijk hoogtij. Alleen sommige vooruitstrevende opdrachtgevers in de kerkelijke sfeer bleken open te staan voor de vormentaal van de Renaissance. Zij waren vermoedelijk in aanraking gekomen met hetgeen zich in Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden voordeed en ook zullen zij in contact gestaan hebben met de kunstenaars die in hun werk de in Italië opgedane invloeden verwerkten. Zo zien we dan ook dat al in 1538 in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Dordrecht een koorgestoelte werd geplaatst dat op een uitgesproken renaissancemanier was vormgegeven. Dit was iets later, zo rond het midden van de zestiende eeuw en dan onder andere bij koorhekken en kansels, ook in de kerken van Kampen, Schoonhoven, Abcoude en in de Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch het geval. Tegelijkertijd echter laat zich van dit voor die tijd nieuwe in het burgerwoonhuis echter nog zo goed als niets terugvinden. Inspiratiebronnen Een van de kunstenaars die, aangeraakt door datgene wat van de klassieke erfenis via de Italiaanse Renaissance naar hier overgewaaid was, ook zijn weg naar Vlaanderen en later zelfs naar het Praagse hof van keizer Rudolf II zocht, omdat hij daar meer weerklank dacht te vinden, was Hans Vredeman de Vries. Zoals zijn naam al doet vermoeden kwam hij inderdaad uit Friesland, waar hij in 1527 in Leeuwarden geboren was. De ideeën over de voor zijn tijd nieuwe vormgeving deed hij op uit de klassieke Italiaanse literatuur, o.a. uit de verhandelingen over architectuur van Vitruvius Pollio. Zelf schreef hij rond 1555 ook over dat onderwerp en de illustraties in zijn werk werden door zowel de architecten als de meubelmakers van zijn tijd als inspiratiebron gebruikt. Ik schrijf hier uitdrukkelijk inspiratiebron, want hoewel hij tijdens zijn leven veel erkenning moet hebben gekregen, zijn er nooit gebouwen, interieurs of meubelen van zijn hand teruggevonden. Wel hebben tijdgenoten naar aanleiding van zijn ontwerptekeningen  variaties hierop gemaakt. Het voorbeeldenboek van Vredeman de Vries was overigens niet het enige dat in de Zuidelijke Nederlanden circuleerde.

 

 

Ook de ontwerpprenten van de in Antwerpen werkzame Pieter Coecke van Aelst (1502 - 1550) werden veel gebruikt, terwijl daarnaast de gravures van zijn stadgenoot Cornelis Floris, genaamd de Vriendt (1514 - 1575) gretig geraadpleegd werden. Vooral de ornamentiek die op zijn voorbeeldprenten te zien was werd in Vlaanderen door de beeldsnijders, die volgens de gildenbepalingen de meubelen mochten versieren, zo veelvuldig toegepast dat men later zelfs van een aparte Florisstijl is gaan spreken. Vooral de door Cornelis Floris in zijn gravures weergegeven grotesken spraken onze zuiderburen aan. Het woord ‘groteske’ voor een bepaald siermotief, dat we ook later nog vaak in de interieurkunst zullen tegenkomen, stamt van ‘grotte’. Het was de naam die in Italië gegeven was aan de tegen het einde van de vijftiende eeuw in Rome bij opgravingen ontdekte decoratieve frescoschilderingen op de wanden van gebouwen uit de Romeinse Oudheid. Een ander bij de renaissancekunstenaars van de zestiende eeuw geliefd siermotief was de symmetrische cartouche. Ook dat was min of meer herontdekt in de ruïnes van de oude Romeinen. Het werd daar toegepast als een versierende omraming van officiële opschriften, maar in Vlaanderen combineerde men het graag met een groteske. In de loop van de zestiende eeuw ging zo’n cartouche steeds meer lijken op een diep ingesneden en rijk versierd vel leer met opkrullende randen. Dat laatste vormde uiteindelijk de oorsprong van het ook later nog veel toegepaste z.g. ‘rolwerk’-ornament. Daarnaast mag ook het in de Vlaamse meubel- en interieurkunst rijkelijk toegepaste gebruik van gebeeldhouwde mannelijke en vrouwelijke figuren met een dragende, of beter gezegd onderstuttende, functie niet onvermeld blijven. Men noemt hen respectievelijk atlanten en kariatiden, terwijl de kunsthistorici de halffiguren die op navelhoogte uit een zuil oprijzen, van het predikaat hermen hebben voorzien. Hun klassieke oorsprong zal u duidelijk zijn. Calvinistische soberheid Terwijl men zich in de Zuidelijke Nederlanden, daarbij nog gesteund door wat er gelijktijdig in Frankrijk gebeurde, in de meubelkunst al voor het midden van de zestiende eeuw rijkelijk overgaf aan het uitgebreid toepassen van deze, van de Italianen overgenomen klassieke decoratieve elementen, gebeurde er, voor zover we weten, op dat gebied in de Noordelijke Nederlanden nog weinig tot niets. Dat had zeker te maken met het feit dat een groot deel der geestelijkheid van de toen nog volop heersende katholieke kerk het gedachtegoed van de Renaissance niet gunstig gezind was. Dit instituut geloofde nog altijd in de (late) gotiek als een religieuze stijl bij uitstek. Daar zou pas in het laatste kwart van de eeuw enige verandering in komen en dan ook nog niet écht rijkelijk, want nog heel lang zou, zelfs na het wegvallen van het katholicisme als sturende macht, ook bij de burgerij de invloed van de late gotiek hier de boventoon blijven voeren. De beeldenstorm van 1566 was dan wel de aanzet tot enige verandering, in werkelijkheid bleef een groot gedeelte van de bevolking in wezen katholiek. In een stad als Amsterdam kwam pas een naar verhouding kleine protestantse minderheid in 1578 aan de macht.

 

 

Tot in de jaren negentig werd op het platteland nog overal gewoon het angelus geluid. Doordat de (gotische) kerkgebouwen door de stadsbesturen aan de protestanten voor hun erediensten beschikbaar werden gesteld, is hier dan ook nergens in de late zestiende eeuw een nieuwe kerk in renaissancestijl verschenen. De echte zestiende-eeuwse renaissancegebouwen in de Noordelijke Nederlanden zijn op de vingers van één hand te tellen.Het oude stadhuis van Nijmegen, de kanselarij van Leeuwarden, de Haarlemse vleeshal en nog enkele andere burgerlijke bouwwerken, vormen hierop een zeldzame uitzondering. Ook in de meubelkunst veranderde er weinig, althans, we bezitten nagenoeg geen (gedateerde) voorbeelden die het tegendeel bewijzen. Laatzestiende-eeuwse meubelen uit de Noordelijke Nederlanden zijn sowieso uiterst moeilijk te vinden en eigenlijk is dat heel merkwaardig. We weten namelijk wel dat de al genoemde Hans Vredeman de Vries in 1570 weer naar Leeuwarden was teruggekeerd en daar dus nog vele jaren gewerkt moet hebben. Ook is bekend dat na de val van Antwerpen in 1585 veel kooplieden en vaklieden, waaronder de nodige meubelmakers, naar Duitsland en de Noordelijke Nederlanden uitweken. Er blijken zich met name in Middelburg, dat toen een zeer welvarende stad was, een aantal van die Antwerpse meubelmakers gevestigd te hebben. Waar echter hun daar gemaakte meubelen, die vermoedelijk toch nog enigszins Vlaams-renaissancistisch geweest moeten zijn, gebleven zijn is een volkomen raadsel. Bovendien trok in de Noordelijke Nederlanden de welvaart, na een wat moeizame zestiende, in het begin van de zeventiende eeuw redelijk aan. Niet alleen kwam een stad als het al genoemde Middelburg tot explosieve bloei, ook in Veere, Zierikzee, Dordrecht, Rotterdam,  Delft, Leiden, Haarlem, Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen was dat het geval. De ‘Roemruchte Compagnie’, we hebben dat vorig jaar nog gevierd, werd kort na 1600 opgericht en al de kooplieden moeten toch het nodige met de winsten van hun lucratieve handel hebben gedaan. Desondanks zijn er in Holland en Zeeland weinig uitgesproken renaissancemeubelen waarvan we met zekerheid durven te zeggen dat ze vóór 1630 zijn ontstaan. Sloot de calvinistische soberheid dan toch nauw aan bij het volkseigene van de Hollander? Ontbrekende schakels We zien in die westelijke provinciën van de Noordelijke Nederlanden de eerste uitgesproken renaissance kastmeubelen pas ontstaan tegen het einde van het eerste kwart van de zeventiende eeuw. In ons Rijksmuseum staat een gedateerde vierdeurs eikenhouten beeldenkast met het jaartal 1622. Enkele andere soortgelijke kasten, die meestal in particuliere collecties voorkomen, worden door de experts voorzichtig rond 1630 gedateerd.

 

 

Toch mag men veronderstellen, gezien het hierboven genoemde kerkelijke beeldhouw- en meubelmakerswerk uit het midden van de zestiende eeuw en de Vredeman de Vries ontwerpen, dat er eerder in onze contreien typische renaissancemeubelen met kenmerkend beeldhouwwerk, zoals in Vlaanderen en Frankrijk, zouden kunnen zijn ontstaan. Het blijft echter voorlopig wachten op het terugvinden van de ontbrekende schakels in de vorm van gedateerde voorbeelden. Lang, smal en leeg Meestal is bij de vroege kastmeubelen, naast de voorbeelden zelf, voor de juiste datering de afbeelding ervan op schilderijen of tekeningen enorm van belang. Het vervelende is echter dat op de weinige afbeeldingen van Noord-Nederlandse interieurs uit de tweede helft van de zestiende of het begin van de zeventiende eeuw kastmeubelen schitteren door afwezigheid. We zien wel stoelen, een enkele tafel en er komt nagenoeg altijd in de rijkere burgerwoning een haardpartij, een bed met een houten hemel en langs de wanden een vrij hoge lambrisering voor. Voor de rest kenmerkt het Hollandse binnenhuis van rond 1600 zich door leegte. Bovendien waren, ook in deze periode, de stadswoningen nog steeds lang en smal. Dat had te maken met het feit dat iedereen graag aan een straat of liever nog aan een gracht wilde wonen. De woning werd immers vrijwel altijd gecombineerd met het vak dat men uitoefende. De aan de straat gelegen ruimte fungeerde dan als winkel/werkplaats of als kantoor. De daarachter gelegen binnenruimte was het woonvertrek, waar uiteraard ook geslapen werd. Als de verdiepinghoogte van het voorhuis dat toeliet was deze binnenkamer vaak als opkamer gebouwd, met daaronder een laaggelegen keuken. Wie oude plattegronden van dergelijke woningen bekijkt zal het opvallen dat het eigenlijke woonvertrek door zijn ligging vaak slechts indirect licht ontving uit de aangrenzende ruimte. In de winter moet het er wel gezellig geweest zijn, maar ’s zomers zal men graag het grootste deel van de dag in het voorhuis doorgebracht hebben, vanzelfsprekend met de deur en de vensters open. Bij veel mensen kreeg dan ook die binnenkamer, doordat er naar verhouding wat minder in geleefd werd, al snel na het begin van de zeventiende eeuw de functie van pronkkamer en daar kan eventueel zo’n hierbij afgebeelde en van beeldhouwwerk voorziene beelden- of kolommenkast gestaan hebben.

 

 

Omdat het in de vroeg zeventiende-eeuwse stadswoning, evenals in de eeuwen daarvoor, nog altijd een vochtige bedoening was, waren, op een enkele uitzondering na, alle meubelen nog steeds van eikenhout. Spijkers die beslist zouden gaan roesten waren bij de constructie uit den boze en al het versierend profiel- en beeldhouwwerk bij de kasten was dan ook opgelijmd. Op dezelfde manier bracht men soms ook spaarzaam kleine plaquettes van ebben- of palissanderfineer aan. Uiteraard werd alles steeds goed in de was gezet. In kleine Friese steden, waar bij een springvloed de boel nog weleens onder water wilde lopen, plaatste men kisten en kasten op houten schemels. Die waren dan vaak zo fraai bewerkt dat men voor het gemak maar vergat waarvoor ze eigenlijk dienden, zodat ze continue onder het meubel bleven staan. In enkele van onze kleinere musea kunt u daar interessante voorbeelden van zien. Om dezelfde reden en mogelijk ook omdat de zindelijke Hollandse huisvrouw haar vloeren vaak dweilde, verving men de houten bolpoten van kasten weleens door geglazuurde aardewerk exemplaren. De eerste dertig jaar van de zeventiende eeuw hield men vast aan het gebruik van eikenhout. Daarna begon schuchter, vooral vanwege de fijnere nerf waardoor het zich makkelijker laat bewerken, de opmars van het notenhout. Het fineerwerk, aanvankelijk nog maar als een summier detail toegepast, nam gaande de eeuw een steeds hogere vlucht. Toch zou het nog tot omstreeks 1650 duren voordat in de Noordelijke Nederlanden de geheel gefineerde meubelen hun intrede gingen doen. Maar dan kunnen we al niet meer van renaissance spreken en kondigt de Hollandse barok zich aan.

 

 

 

ONZE WINKEL IS OPEN INDIEN AANWEZIG OF OP AFSPRAAK.

 

 

 

 

 

 

 

 

^