Chinees porselein. 

 

CHINESE

HISTORISCHE

PERIODES

 

 

 

 

 

Ming

 

Qing

 

 

 

 

 

Hongwu

1368 - 1399

Shunzhi

1644 - 1661

Jianwen

1399 - 1402

Kangxi

1662 - 1722

Yougle

1403 - 1424

Yongzheng

1723 - 1735

Hongxi

1425

Qianlong

1736 - 1795

Xuande

1426 - 1435

Jiaqing

1796 - 1820

Zhengtong

1436 - 1449

Daoguang

1821 - 1850

Jingtai

1450 - 1457

Xianfeng

1851 - 1861

Tianshun

1457 - 1464

Tongzhi

1862 - 1874

Chenghua

1465 - 1487

Guangxu

1875 - 1908

Hongzhi

1488 - 1505

Xuantong

1909 - 1916

Zhengde

1506 - 1521

Hongxian

1915 - 1916

Jiajing

1522 - 1566

 

 

Longqing

1567 - 1572

 

 

Wanli

1573 - 1609

 

 

Taichang

1620

 

 

Tianqi

1621 - 1627

 

 

Chongzhen

1628 - 1644

 

 

 

 

JAPANSE

HISTORISCHE

PERIODES

 

 

 

 

Jomon

Tot ca. 200 v. Chr.

Muromachi

1392 - 1568

Yayoi

200 v. Chr.- ca. 250 na.

Momoyama

1568 - 1600

Konfun

ca. 250 - 552

Edo

1868 - 1912

Asuka

  552 -   646

Meiji

1868 - 1912

Nara

  646 -   794

Taisho

1912 - 1926

Heian

  794 - 1185

Showa

1926 -

Kamakura

1185 - 1392

 

 

 

 

Amoy (of Xiamen), ?;
Canton, pas vanaf  1728 (toen andere Europeanen allang waren voorgegaan). Comptoir van 1749-1803.

         

Belangrijkste producten: thee en porselein;
Hoksieu (Fuzhou), comptoir na 1662. Belangrijkste producten: porselein en zijde.

 
 Al in de jaren 1603-1609 probeerde de Verenigde Oostindische Compagnie
rechtstreekse handel met China op te zetten, maar iedere poging daartoe mislukte.
Ondermeer in 1603 en 1607 heeft de VOC geprobeerd Macao, gelegen aan
de monding van de Parelrivier, in te nemen om de Portugese handel te stoppen; het is echter nooit gelukt.
Ook Leonard Camps, opperhoofd van de VOC-vestiging in Hirado in Japan,
was er een groot voorstander van dat de VOC zich inmengde in de handel in
zijde tussen China en Japan. Hij was van mening dat de oorlogszuchtige
activiteiten bij China gestaakt moesten worden om de handelsactiviteiten in
Japan uit te kunnen breiden. Maar terwijl de Nederlanders in Japan heel
voorzichtig en diplomatiek te werk gingen, meenden ze in China wel grof
geweld te kunnen gebruiken. In april 1622 zond Jan Pietersz. Coen een
expeditie van acht schepen en 1024 man onder leiding van Cornelis Reijersen
naar Macao om deze plaats op de Portugezen te veroveren en de handel van de Portugezen te breken. Vóór de Chinese kust, op de eilandengroep
Pescadores of op Formosa (Taiwan) moest een VOC-fort worden opgericht.
De aanval op Macao in juni 1622 mislukte jammerlijk. De Nederlanders kregen een kanonschot in hun kruitvoorraad, welgemikt door de Jezuïet Adam Schall,
waarna zij de aanval staakten. Daarna begonnen de Nederlanders op het
belangrijkste eiland van de Pescadores, Pehu (Penghu), met de bouw van het
fort, overigens zonder toestemming van de Chinezen. Nadat in het najaar de
haastig gebouwde muren tijdens de stormen instortten, werden Chinezen die
op de kust van Fujian krijgsgevangen waren gemaakt, ingezet voor het herstel
van de muren. De helft van hen bezweek tijdens het werk en de andere helft
had het ook niet best. Twee jaar later, in het voorjaar van 1624, dwong een
Chinese invasie-macht de Hollanders dit fort af te breken en te vertrekken.
Daarna richtte de VOC zich meer op Formosa en Quinam en Tonkin in Vietnam.
De bouwmaterialen van het afgebroken fort op Pehu werden gebruikt voor de
bouw van een fort op Formosa, Fort Oranje bij Anping Tainan, in 1627 hernoemd in Fort Zeelandia. De handel in zijde (ruwe zijde en zijden garens) verliep via Chinese kooplieden die in Fort Zeelandia hun koopwaar aan de Hollanders aanboden. Ook werd er veel porselein ingekocht en daarnaast goud, gember, opium, sappanhout en aluinaarde. De Chinezen hadden interesse in peper en andere specerijen, sandelhout, katoenen stoffen, tin, ivoor en hertevellen (van Formosa zelf) voor het maken van harnassen.
Nadat de VOC in 1639 het monopolie van de Europese handel met Japan
had verkregen en in 1641 Malakka op de Portugezen was veroverd, was de
concurrerende positie van Macao beduidend minder geworden.
De eerste hofreis van VOC-gezanten naar Peking (Nekinsu) vond plaats van
1655-1657. Op 19 juli 1655 vertrok het gezantschap met de twee jachten
Koudekerke en Bloemendaal vanuit Batavia. Het gezantschap stond onder
leiding van de kooplieden Pieter de Goyer en Jacob de Keyzer. Johan Nieuhof ging mee als hofmeester maar vooral als tekenaar/schrijver om prenten en beschrijvingen te maken van de 2400 km lange route van Canton naar Peking.
De reis werd per trekschuit gemaakt waarbij de Mei-Ling-pas te paard werd
 
over getrokken. Drie maanden lang verbleef het gezantschap in Peking maar zij kregen de keizer niet te spreken. Onverrichterzake moest men weer
teruggaan naar Batavia.
Tussen 1662 en 1664 werden drie expedities naar China gezonden onder admiraal Balthasar Bort. Het doel was om het nieuwe Mantsjoe-bewind voor zich te winnen door laatste plaatsen waar Coxinga zich nog ophield aan te vallen en om vervolgens toestemming te krijgen voor rechtstreekse handel op China. Korte tijd werden de eilanden Aymoy (Xiamen) en Quemoy (Chinmen) bezet door VOC-troepen maar het was niet de bedoeling om zich hier permanent te vestigen. In 1667 en 1685 zijn er nog twee gezantschappen naar Peking gestuurd maar de Hollanders kregen geen voet aan de grond in China. In 1689 gaven de Heren XVII het op. In de regio was Formosa inmiddels een belangrijke factorij geworden.
Toch kwam de VOC wel aan de gewilde producten, waaronder thee, uit China. De Chinese goederen werden door Chinese kooplieden in jonken van China naar Batavia gebracht. Vanaf 1720 besloten de Heren XVII rechtstreeks schepen naar China te sturen. In 1718 was namelijk door een nieuw Chinees verbod de jonkhandel geheel stil gevallen. De jonken zouden piratenhandel steunen en werden daarom verboden. Na een jaar zonder thee-aanvoer namen Portugese kooplieden vanaf 1719 deze handel over waardoor er weer aanvoer was. In 1723 werd na het overlijden van de Chinese keizer het handelsverbod weer opgeheven en kwamen de Chinese jonken weer naar Batavia.
Rechtstreekse handel
Rond 1725 werd de directe handel door vreemde naties in China onder strenge voorwaarden en op beperkte schaal mogelijk gemaakt. De Engelse East India Company en de Oostendse Compagnie waren de VOC al voorgegaan toen de Heren XVII besloten het schip Coxhorn in december 1728 naar Canton te sturen om de in Europa steeds populairder wordende thee te halen. Dit was een groot succes en tot 1734 zijn er twaalf schepen rechtstreeks van Patria naar China gevaren. Van 1734 tot 1756 vond de theehandel vanuit Batavia plaats met jaarlijks twee schepen. Eén van de schepen moest na innemen van de lading rechtstreeks naar Nederland varen en de andere moest via Batavia varen. Na 1756 werd de theevaart weer rechtstreeks vanuit Nederland gevoerd en gingen er jaarlijks vier à vijf schepen naar Canton.
Toen in 1728 door de VOC de rechtstreekse handel op China werd gestart, kwam er ook een VOC-factorij in Canton. Canton lag ongeveer 100 km landinwaarts aan de Parelrivier. De Europese kantoren en pakhuizen lagen buiten Canton. Die factorijen waren geen eigendom van de handelsmaatschappijen maar werden gehuurd van Chinezen. De factorij van de VOC aan de Parelrivier werd bemand door ongeveer 40 man. In Canton zelf mochten ze niet komen en ze mochten zich alleen vrijelijk bewegen in een straal van ongeveer 1 km rondom de factorij. Zaken mochten alleen worden gedaan via een zgn. hong, een Chinees handelshuis met een vergunning om als tussenpersoon tussen Europese handelslieden en binnenlandse handelaren en bestuurders te fungeren.
Hedendaagse herinneringen aan de VOC-tijd in China
Een gedenkzuil in Macao herinnert nog steeds aan het fiasco van deNederlandse aanval op Macao in juni 1622.
Op het schiereiland Fong Gui Wei zijn de contouren van het VOC-fort op Pehu dat na twee jaar al weer moest worden afgebroken, nog steeds te zien.

^