HET KABINET
Het kabinet is in essentie een meubel om waardevolle voorwerpen en/of geheimen inop te bergen en eventueel te verbergen. Doorheen de jaren evolueert dit soort meubelvan een kist met compartimenten (en om mee te nemen op reis) tot een pronkmeubel,waarvan het belang af te leiden is uit het feit dat in de vele bewaarde inventarissen vankoningen, prinsen en adel ze meestal vooraan vermeld zijn. Het waren dan ook statussymbolenbij uitstek, die moesten aantonen hoe rijk de eigenaar wel was.
De term is afgeleid van het woord ‘cavea’, een afgesloten toeschouwers plaats (loge) ineen theater. Het woord ‘Cabane’ of ‘cabine’ verschijnt voor het eerst in een inventarisvan de bezittingen van Anne de Bretagne in 1505 en in een inventaris van de Fransekoning François I uit 1528 wordt voor het eerst een kabinet vermeld.
Het kabinet verschijnt echter niet zomaar uit het niets ; het kent in de oudheid velevoorlopers. Reeds bij de ‘oude Egyptenaren’ treffen we reiskoffers aan. Zo is in één vande graven van Sakkara een koffertje met kleine compartimenten gevonden ; het dateertvan omstreeks 3100 voor Christus. Ook in Sakkara tonen muurschilderingen in hetgraf van Mereruka (vizier onder Teti I in de periode 2345 - 2333 v. C.) een begrafenisceremonie,waar een grote kist wordt meegedragen voor gebruik in het hiernamaals.
In het graf van de kamerheer van farao Ammenemes IV (ca. 1790 v. C.) is een toiletkistuit verschillende houtsoorten en ivoor en met secreet gevonden. De Oude Grieken kennen de zgn. ‘kibotoi’ (kisten met twee tot vier compartimenten) en de Romeinen gebruiken onder andere een soort kist, de ‘arca’ (‘arcane’ betekent geheim, verborgen vak) genaamd, en de ‘capsa’, waarvan de Engelse term casket, het Fransecassette en het Italiaanse cassetone is afgeleid.
De Romaanse en Gotische periode kennen veel tijden van oorlog en kruis- en pelgrimstochten maar ook van diplomatieke zendingen en zakenreizen. Daarom groeit hetbelang van verplaatsbare huisraad, het zgn. ‘mobilis’, waaruit onder andere onze term meubel’ (ook mobilier, möbel) is afgeleid. Men gebruikt daarvoor meestal kisten, maarook ‘armoires’, ‘armoires-cabinet’ en zgn. ‘escritorio’ (schrijfmeubeltjes).
In de 15de en 16de eeuw wordt de basis gelegd voor het huidige Europa en in het verlengdedaarvan voor een groot aantal meubelvormen. In deze jaren krijgt de religieuzemacht immers meer en meer concurrentie van de wereldse macht (humane waarden,eechniek en wetenschap winnen aan belang) en de drang naar een comfortabele leefbare samenleving zonder oorlogen groeit. De algemene welvaart stijgt ; de macht blijft nog steeds geconcentreerd bij koningen, adel en clerus maar de burgerij kan zich even-eens steeds meer luxe permiteren.
In Spanje en Portugal evolueert de reiskist naar een kist met laden, al dan niet afgesloten meteen valblad en krijgt een eigen onderstel. Dit meubel krijgt de naam ‘vargueño’ en wordt naargelangde welvaart stijgt steeds rijker versierd.
Ondertussen is Keizer Karel V aan de macht gekomen. Om het enorme gebied, dat hij in handen heeft, te controleren wordt het verplaatsbare schrijfmeubel zeer belangrijk. Aanvankelijk beperkt tot Spaanse modellen, steken al vlug Duitse varianten de kop op die vooral in Augsburgworden gerealiseerd : het zgn. ‘Kabinettschrank’ (qua bouw vrij gelijk aan de vargueño) en de ‘Schreibtisch’. Beide soorten worden voorzien van arabesken en grotesken in marqueterie of intarsia, zilveren platen, theatertjes,... Vanaf het midden van de 16de eeuw gaat men ook schildpad gebruiken. Deze meubelen worden gretig afgenomen in binnen- en buitenland. Ze worden steeds rijker qua uitvoering en versiering, zodat stilaan de term ‘Kunstschrank’ ontstaat. In 1569 worden de eerste kabinetten in Japanse lak geïmporteerd in Europa. Die zullen voor een niet ongering deel de verdere evolutie van het kabinet in de 17de eeuw bepalen.
Aan het begin van de 17de eeuw is de Duitse markt voor het kabinet nog altijd de belangrijkste ; de Spaanse en Portugese neemt geleidelijk af. De vrijstad ‘Eger’ wordt nu één van de meest importante productiecentra, een positie die ze zal bewaren tot omstreeks 1730. Duitse kabinetten krijgen gaandeweg een architecturale vorm met gewelven en perspectieven en worden dikwijls afgesloten met twee deuren, die meerdere kleine laden verbergen en vaak ook een secreet. Een kabinet, gerealiseerd in 1655 door Melchior Baumgartner voor Keizerin Maria-Anna van Beieren, telt zelfs 177 laden en een compleet schaakspel. Het gamma aan gebruikte materialen lijkt bijna oneindig en wijst op de welvarendheid van Duitsland in deze periode, maar eveneens op de rijkdom van de kopers. Noten- en/of ebbenhout worden gecombineerd met ivoor, zeeschelpen, halfedelstenen, amber, schildpad, parelmoer, cameeën, munten, medailles, leder, zijde, koper, zilver en vermeil, ... om tot pronkstukken te komen, waarin taferelen met jachtscènes, bloemen, trofeeën, muziekinstrumenten,... al dan niet gesculpteerd of in marqueterie, worden verwerkt.
Ook in Frankrijk kent het kabinet succes. Om de hoge kostprijs van deze geïmporteerde meubelen te vermijden, trekt Henri IV vanaf 1608 buitenlandse vaklui aan (vooral uit Duitsland en Italië, maar ook uit Vlaanderen). Deze koning richt de Manufacture Royale des Gobelins op, waar ook de befaamde André-Charles Boulle vanaf omstreeks 1670 talrijke kabinetten realiseert in zijn typische ‘Boulle’- stijl met schildpad en metalen.
We mogen echter stellen dat de meest exuberante kabinetten geproduceerd zijn in Vlaanderen ; meer bepaald in Antwerpen, dat in de 17de eeuw een zeer important
centrum is geworden voor zowel boekdrukkunst, schilderkunst en prenten als voor muziekinstrumenten, wandtapijten en meubilair. We merken er begin 1600 een evolutie naar een nieuw type kabinet, het tafelkabinet met eigen onderstel en bedoeld om tegen de wand te plaatsen. Het Antwerpse scriban - de tegenhanger van de Duitse
Schreibtisch en de Spaanse escritorio - blijft bestaan, maar wordt net als het tafelkabinet steeds rijker versierd met ebbenhout en schildpad, schilderijtjes en perspectiefjes, vergulde bronzen of zilveren ornamentiek.
In de loop der jaren worden de tafelkabinetten
complexer en groter. Ze worden voorzien van allerlei compartimenten en secreten, al dan niet verborgen achter deuren, en hebben centraal een zgn. ‘theatrum mundi’ met spiegeltjes, die de aangebrachte schilderijtjes, beeldjes, galerijtjes, zuiltjes reflecteren. In de tweede helft van de 17de eeuw wordt het kabinet gebruikt om juwelen en waardestukken op te bergen en heeft een bergruimte voor voorwerpen om te ‘fatsoeneren’ (kam, waaier,spiegel, handschoenen). Het komt dan ook steeds meer in de slaapkamer te staan als uiting aan luxe en status. Het heeft het uitzicht van een Italiaans palazzo of een barokke kerk en is versierd met mythologische, allegorische of bijbelse taferelen, al dan niet gebeeldhouwd of geschilderd.
Deze schilderijtjes worden niet zelden door grote meesters als Otto van Veen, Jan Snellinx,Maarten de Vos en de Francken familie gepenseeld. Kabinetten met dergelijke schilderijtjes vindengretig aftrek in Italië en Duitsland, maar ook de andere worden in grote getale uitgevoerd door meubelmakers/exporteurs, waarvan de belangrijkste Melchior Forchondt en Musson zijn. In de Noordelijke Nederlanden wordt vanaf omstreeks 1650 gebruik gemaakt van de karakteristieke zgn.
Hollandse bloemenmarqueterie, die de rest van Europa zal beïnvloeden. De 18de eeuw betekent voor het kabinet de periode van verval. De kerk en het hof zijn niet langer de belangrijkste opdrachtgevers. Het meubilair wordt aangepast aan de nieuwe smaak - ingezet door Lodewijk XIV bij de bouw van het Grand Trianon - van nieuwe opdrachtgevers : de aristocratie en de burgerij. De onbetaalbare dure technieken uit de 17de eeuw maken plaats voor minder dure, die vooral meer fantasie en creativiteit toelaten, zoals imitatielakken en marqueterie.
Het vlak symmetrisch versierde meubilair wordt vervangen door gewelfde, gegalbeerde meubels, versierd met asymmetrische vormen (rococo). De commode wordt hét meest geliefkoosde meubel. In de vroege 18de eeuw blijft het kabinet nog enigszins geliefd, vooral bij de burgerij (getuige daarvan een Franse politieverordening dat beveelt dat de kabinetten eveneens moeten gedesinfecteerd worden bij epidemieën), maar evolueert naar een meubel voor professionele doeleinden, eerst voor het verzamelen van rariteiten later voor het lezen en schrijven. Uit de ‘escritorio’ ontstaat de zgn. ‘secrétaire à abattant’ (bureau met valklep) en het typische damesbureautje,
‘bonheur du jour’ genaamd.
Na de ontdekking van Pompeï en Herculaneum evolueert de mode naar de klassieke vormentaal van het Oude Rome : de rococo maakt plaats voor neoclassicisme, dat totin de 19de eeuw.
In de 19de eeuw is de macht van de bourgeoisie prominent. Deze nieuwe, steeds rijkere kaste drukt haar stempel op de evolutie van het meubel met haar keuze voor comfort en praktische items. Worden er al kabinetten gemaakt, dan zijn het op de eerste plaats utilitaire meubelen zoals dokterskabinetten, opbergmeubelen voor curiosa en verzamelingen (munten, medailles, fossielen, opgezette dieren,...), vitrines voor collecties (bijv. Chinees porselein),... Vanuit de romantische nostalgie naar de periode voor de Franse Revolutie en de interesse voor de klassieke Oudheid (als gevolg van de talrijke opgravingen) wordt immers de drang naar het verzamelen van antiek steeds groter.
Uitzonderingen niet te nagesproken, worden de meubels op een steeds meer industriële manier gerealiseerd, want de vraag is zeer groot en de produktie moet goedkoper zijn.
Daartegen reageert eerst de ‘Arts & Crafts’-beweging in Engeland en later de Art Nouveau/ Jugendstil in de rest van Europa. Men wil terug naar de oude waarden en het ambacht van vroeger, wat enigszins een heropleving van het kabinet met zich meebrengt.
Als in 1919 het Bauhaus wordt opgericht, merken we ook in deze groep veel aandacht voor multifunctioneel meubilair ; aandacht die in het Interbellum en tot vandaag nog steeds bestaat. Sommige naoorlogse designers gaan zelfs weer echte kabinetten realiseren, gebaseerd op de oudere vormentaal, weliswaar in een nieuw kleedje gestoken en met nieuwe materialen. Denken we maar aan Fornasetti in Italië of Veranneman bij ons. Het kabinet is met andere woorden nog steeds niet ‘dood’.
De interesse voor de zeventiendeeeuwse kunstkabinetten is bijzonder groot (in 2002 wordt bij Sotheby’s - Londen een Antwerps kabinet geveild voor 1,3 miljoen euro). Het krijgt een pronkplaats in een minimalistisch interieur ofvindt zijn plaats in musea overal ter wereld. Of we echter ooit nog een gouden periode kennen als in de 17de eeuw blijft echter sterk de vraag.
wimjaarsma@hotmail.com
ONZE WINKEL IS OPEN INDIEN AANWEZIG OF OP AFSPRAAK.