Mahoniehouten 'Haags klepbuffet Lodewijk de XV, ca. 1750.
Een Haag gebogen ladekast met onder het geschulpte blad vier laden met het originele bronzen beslag met trekkers, de laden en zijkanten zijn fraai gebogen. De Stijlen links en rechts naar buiten lopend en eindigend als poten en belegt met bronzen beslag. Van de vier laden is de bovenste een schijn lade, deze kan worden opengeklapt en zoals u op de foto's kunt zien zitten er aan de binnenkant twee legplankjes welke open kunnen worden met onder steunend van twee dragers. Hierop kon de dame des huizes met haar kostbare porseleinen kopjes pronken. Onder de klep zit een open ruimte waar de thee kon worden ingeschonken. Links en rechts van dit meubeltje een uittrekplankje, hier konden de lekkernijen worden op gezet.
Afmeting, hoogte in gesloten toestand, 80 cm, breedte 90 cm en diepte 53 cm.
Dit klepbuffet is nog niet gerestaureerd.
Prijs gerestaureerd, € 4.750
No. 120892




Thee in Nederland rond de eeuwwisseling
Thee was als genotsmiddel in Nederland in de zeventiende eeuw bekend geraakt. Rond 1900 raakte de uitgebreide middagthee in ons land ingeburgerd. Deze gewoonte was afkomstig uit Engeland, waar de afternoon tea al sinds het begin van de negentiende eeuw genuttigd werd.
De middagthee begon als een sociale aangelegenheid, de zogeheten 'jour' of ontvangdag – bij de middenstand sprak men overigens van een dameskransje – waarbij de gastvrouw op een vaste middag in de week op informele wijze haar gasten ontving.
Hierbij werden schaaltjes met allerlei lekkernijen als bonbons, koekjes, cake en petitfours gepresenteerd veelal op een deftig "klepbuffet" welke in onze met zorg samengestelde collectie Nederlandse kasten niet mogen ontbreken zoals b.v.Voor het serveren van de thee had men een keur aan zilverwerk en (Japans of Chinees) porselein in huis. Een rijk gedekte theetafel met een kostbaar theeservies was een belangrijk statussymbool.De gastvrouw schonk de thee doorgaans zelf in. In het zilveren trekpotje werd een sterk thee-extract gemaakt, waarvan steeds
een bodempje werd uitgeschonken in de kopjes en dat vervolgens aangevuld diende te worden met heet water uit een bouilloire. Pas in de loop van de negentiende eeuw hebben grote theepotten, waarin de thee in de gewenste sterkte gezet kon worden, het gebruik van het trekpotje en de bouilloire langzaam maar zeker verdrongen.
De bouilloires waren doorgaans van zilver of koper en mochten vanwege hun kostbare en fraaie uitvoering niet onopgemerkt blijven.
Ze werden dan ook op een kleine guéridon, een bijzettafeltje (kettle stand) neergezet. Tegen het midden van de achttiende eeuw zijn de houten theestoven ontstaan. De houten kistjes waren aan de binnenzijde met metaal afgeschermd, zodat daarin een brandend komfoor geplaatst kon worden met daarop de waterketel. Het hengsel aan de theestoof maakte deze gemakkelijk verplaatsbaar van de keuken naar salon.
Ook hebben voor u een bescheiden collectie (ca.15) theestoven bijeen gebracht.